Gorredijk

Terug naar boven

De Compagnons

Nadat in de tweede helft van de zestiende eeuw vader en zoon Juw en Sytse van Dekema meer westelijk met vervening waren begonnen, kochten rond 1600 de Leeuwarder ondernemers Watse Eelkes, Wabbe Wisses en Douwe Nijenhuis veel gronden onder Kortezwaag. Zij kregen in 1606 van Gedeputeerde Staten toestemming om de Herewegh in de Trimbeets te mogen doorgraven en daer in een Brugge met Slach- en Schutdeuren te leggen.
 
Anne Wyckel
Omdat meerdere westelijk gelegen grietenijen, bevreesd voor het zure veenwater, bezwaar maakten, kon van deze vergunning geen gebruik gemaakt worden. De veengronden werden daarom in 1629 verkocht aan Anne Wyckel, grietman van Aengwirden, en Tiberius Oenema, grietman van Utingeradeel. Deze nieuwe eigenaars konden kort daarna als Compagnie van Kortezwaagde doorvaart wél verwezenlijken, zodat 1631 als het geboortejaar van het op het kruispunt van Heerenweg en doorgegraven vaart ontstane Gorredijk kan worden beschouwd.

Augustinus Lycklama á Nijeholt  
In 1645 werd naast de genoemde compagnie een nieuwe gesticht, en wel door Johannes van Crack en Jacques van Oenema, beide ook lid van de Schoterlandse Compagnie, en de Opsterlanders Saco Fockens en Saco van Teijens, respectievelijk grietman en grietenij-secretaris. Deze nieuwe compagnons wilden de vaargelegenheid naar de Boorn verbeteren en bovendien sloot van achtentwintig voeten wijd langs de noordkant van de hoge venen in oostelijke richting graven door de dorpen Lippenhuizen, Hemrik, Wijnjeterp en Duurswoude tot in Bakkeveen, en verder naar behoefte oost- en zuidwaarts. Zij zouden alleen gezamenlijk gronden of venen in die dorpen aankopen. Dit was het begin van de Opsterlandse Compagnie, die in 1804 zou worden omgevormd tot de Gezamenlijke Compagnons van de Opsterlandsche en Ooststellingwerfsche Veenen en Vaerten, inmiddels uitsluitend bestaande uit nazaten van Augustinus Lycklama á Nijeholt. Deze Augustinus, die leefde van 1670 tot 1744 en grietman van Opsterland was van 1693 tot 1718, kocht in 1702 de helft van de vaarten met de twee gemeene roeden aan weerszijden en de verlaten (sluizen), alles rond Gorredijk, van Willem van Haren, kleinzoon van de al genoemde grietman Tiberius (van) Oenema. Met de twee gemeene roeden werd de ongeveer acht meter brede strook aan weerszijden van de vaart bedoeld, die bestemd was voor opslag en verkeer, zoals trekpad voor trekkers in de lijn of jaagpad voor scheepsjagers, mannen die met paarden de schepen van sluis naar sluis trokken. De andere helft van de aandelen in de compagnie, toen in eigendom bij de erven van Hans van Wyckel, kwam door erfenis en koop uiteindelijk ook in bezit van de afstammelingen van Augustinus.

Livius Suffridus en Daniel de Blocq
Vooral na zijn aftreden als grietman in 1718 deed Augustinus, die ook lid van Gedeputeerde Staten geweest is, veel om landbouw, landontginning en turfwinning in het hoogveen in Opsterland en Ooststellingwerf te bevorderen. Zijn voorvaders hadden, naast veengronden in Opsterland, door grondaankopen in de zeventiende eeuw ook in Appelscha en Fochteloo veel venen in bezit gekregen. Augustinus woonde op het "slot" in (Oud) Beets, dat al op de Schotanuskaart van 1664 als Walrich vermeld staat. Hij werd in de kerk van Beets begraven, waar zijn grafsteen en die van zijn zoon Livius Suffridus (1695 - 1773) en hun echtgenoten op het hof van de verdwenen kerk bewaard zijn gebleven. De nog in Appelscha aan de vaart staande Augustinus-State, in 1848 door de compagnons voor eigen gebruik gesticht en in 1912 door een nieuw gebouw met die naam vervangen, is naar hem genoemd. Livius Suffridus volgde in 1718 zijn vader op als grietman (hij woonde in Beetsterzwaag) en werd op zijn beurt na zijn dood in 1773 opgevolgd door zijn broer Daniel de Blocq, die leefde van 1702 tot 1781. Een andere broer, Lubbertus, was minder intensief bij de compagnie betrokken. Hij was secretaris van Opsterland en heeft lang geleefd met eene concubyn, een geheel gemeen (bedoeld is: gewoon, beneden de stand) vrouwspersoon, die kinderloos voor hem stierf, zoals het in een beschrijving van het geslacht werd omschreven.

Evenals hun vader kochten de eerstgenoemde beide broers veel eigendommen in Ooststelling-werf, vooral Appelscha en Fochteloo, en in hoofdzaak met veengronden. Met dit beleid waren hun grootvader Lubbertus Lycklama á Nijeholt en diens oom, ook een Augustinus, in de tweede helft van de I7de eeuw al begonnen. Beide waren grietman van Ooststellingwerf, zoals ook tot zijn komst naar Opsterland in 1773 Daniel de Blocq Lycklama á Nijeholt, die ongehuwd in Makkinga woonde. In Opsterland woonde hij, net als zijn ouders, in Beets. Hij was het die na het vergraven van het hoogveen tot lange turf in Opsterland en het gedeeltelijk ontginnen van de ondergronden aldaar plannen maakte om de vaart via Donkerbroek en Oosterwolde tot Appelscha te verlengen, waarvoor hij in 1777 toestemming kreeg van de daarbij betrokken eigenaren. Vier jaar later verleenden de Friese Staten octrooi. Vooral door moeilijkheden met Drenthe kon daarvan echter eerst met ingang van 1814 volledig gebruik gemaakt worden.

Tinco Martinus Lycklama á Nijeholt

De tien jaar daarvoor vernieuwde compagnie had in die tijd als bestuurders Tinco Martinus Lycklama á Nijeholt uit Oldeboorn, een achterkleinzoon van de genoemde Beetster Augustinus Lycklama á Nijeholt, en Rijnhard baron van Lijnden uit Beetsterzwaag, getrouwd met een achterkleindochter van dezelfde en in 1782 feestelijk ingehaald als grietman van Opsterland. Eerstgenoemde is onder andere grietman geweest van Ooststellingwerf en Utingeradeel en werd na de Franse tijd lid van de Tweede en later van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Hij werd in 1817 in de adelstand verheven met als titel jonkheer. De titel jonkheer/jonkvrouw gold ook voor zijn nageslacht, welke tak in 1917 is uitgestorven. Dat het meestal grietmannen waren, die als lid van de veencompagnie genoemd werden, is niet vergelijkbaar met de vaak goed betaalde commissariaten die bestuurders tegenwoordig wel als bijbaantje hebben. Andersom, doordat het stemrecht verbonden was aan grondbezit, konden grootgrondbezitters een bestuurlijke baan als het grietmansambt krijgen. Nadat Daniel de Blocq in 1781 was overleden, duurde het tot 1836, voordat weer een Lycklama á Nijeholt in Opsterland woonde. Toen vestigde de in 1809 als zoon van de genoemde Tinco Martinus in Oldeboorn geboren jonkheer Jan Anne zich in Beetsterzwaag. Ook andere afstammelingen van griet-man Augustinus en daardoor deelgenoten in de compagnie hebben trouwens in dat dorp gewoond, zoals we al zagen Rijnhard baron van Lijnden, maar ook via hem leden van de families Van Eysinga en Van Harinxma thoe Slooten. Een broer van Jan Anne, jonkheer meester Georg Wolfgang Franciscus Lycklama á Nijeholt, was van 1841 tot de invoering van de gemeentewet in 1851 grietman en daarna tot 1862 burgemeester van Ooststellingwerf. Hij woonde op het door hem gestichte landhuis Nieuw Friesburg in Oldeberkoop en was uiteraard ook deelgenoot in de compagnie. Jan Anne zou de grietmanstraditie van de familie voortzetten, door van 1853 tot 1865 in Opsterland het burgemeestersambt te vervullen. Hij was echter ook jarenlang een vooraanstaand bestuurder van de compagnie. Toen in 1888 de compagnonsvaart in eigendom, onderhoud en beheer aan de provincie Friesland werd overgedragen, werd als gecommitteerden van compagnons-zijde de overeenkomst daartoe gesloten door hem (Officier in de orde van de Eikenkroon!) en meester Rijnhard baron van Harinxma thoe Slooten, rechter in het kanton Beetsterzwaag.

Na deze overname kon de provincie de door kanalisatie voor scheepvaart geschikt gemaakte Tjonger door een sluis met de compag-nonsvaart verbinden. nuttige instellingen, terzijde latende, heeft men zijn blik slechts te wenden naar de duizenden en duizenden bunders in Opsterland en Ooststellingwerf en te vragen hoe al die gronden, die voor tweehonderd jaren nog woest en bijna onbewoond waren, thans in vruchtbare landouwen en heerlijke beemden zijn herschapen. Door 't graven van vaarten maakten zij de afvoer mogelijk van het afgegraven hoogveen, terwijl later de schepen die zonder vracht naar die turfgraverij hadden moeten varen, met faecaliën gevuld konden opvaren, om daarmede de afgegraven gronden te bemesten en te ontwikkelen. Langzamerhand is die vaart doorgelegd, bijna tot aan de grenzen van Drenthe onder Appelscha, en kan men gerust zeggen dat de vaart van Lippenhuizen, langs Hemrik, Wijnjeterp, Donkerbroek, Oosterwolde en door Appelscha, door hen en hunne erven voltooid, daar een toestand heeft geschapen waar Landbouw, Veeteelt en Boscultuur bloeien, en waar een nijvere bevolking van duizenden zielen haar brood kan vinden en geen armoede behoeft te lijden." Een visie, met voorbijgaan van het werk van verveners, boeren en arbeiders, die hij vijf jaar later ook verwoordde in een brief: "In ons goede land sluit men maar overal bonden, nu weer een waarover ik een brief kreeg, "Verbetering door arbeid". Intusschen zullen dan Wilco Rengers enzoovoort met Pollema, Kuyper en Van Zinderen Bakker den socialist hand aan hand gaan! Zulke dwaasheden zijn toch onbestaanbaar. Ik houd er mij maar stilletjes buiten; ik doe mijn best om te laten werken, buiten die vereenigingen om, en ik geloof dat dat beter is. Men kan in kleinen kring meer goed doen dan door die gemengde veree-nigingen, die toch alle op socialisme uitloopen." Met Wilco Rengers bedoelde hij de toenmalige voorzitter van de Friesche Maatschappij van Landbouw, Wilco Julius van Welderen baron Rengers, die in 1894 mede-oprichter was van de vereniging "Door arbeid tot verbetering". Deze vroeg veel instellingen en particulieren, met name grootgrondbezitters zoals Augustinus, door het verhuren van grond aan arbeiders tegen matige prijzen de nood in veel huisgezinnen te lenigen, waarop door velen wél positief werd gereägeerd.



(bron; museum Opsterlan)